“Deaf children, families and professionals – a working relationship” FEAPDA-congres 2009 → FEAPDA → Wat doet de vereniging Simea? → HomeKarien Coppens, Connie Fortgens, Frans de Groot, Monique Nieuwmans.
FEAPDA staat voor Fédération Européenne des Associations de Professeurs de Déficients Auditifs. Het is een Europese vereniging waarvan landelijke verenigingen van professionals uit het dovenonderwijs lid zijn. Nederland wordt vertegenwoordigd door Siméa. Op 23 en 24 oktober vond het twee jaarlijkse congres van de FEAPDA plaats in Verona (Italië). Het thema was de relatie tussen ouders en leerlingen enerzijds en de professionals anderzijds. Hoe gaan professionals om met ouders, kinderen, jongeren en volwassenen. Weten zij wat goed voor onze doelgroep is? Hoe betrekken zij de ouders, kinderen, jongeren en volwassenen bij hun traject in het onderwijs en naar werk? Wat vinden ouders en de dove/ slechthorende persoon zelf? Zoals altijd bestond het tweejaarlijkse congres ook dit jaar uit een aantal plenaire lezingen, landenpresentaties en discussiegroepen. Aandacht was er ook voor de twee nieuwe leden, Polen en Noorwegen, en de Europese Leonardo subsidie die is binnengehaald in samenwerking met een aantal hoger onderwijsinstellingen. Deze subsidie zal gebruikt worden voor een project om kerncompetenties en vaardigheden te bepalen voor leerkrachten van dove leerlingen. Hieronder wordt verslag gedaan van de meest interessante bijdragen. Binnenkort zullen alle lezingen integraal te vinden zijn op de website van de vereniging www.feapda.org.
1. De plenaire lezingenElizabeth Andrews (Groot-Brittannië) besteedde in haart lezing aandacht aan Early Support. Early Support is onderdeel van Aiming High from Disabled Childeren (ADHC). ADHC is opgezet vanuit de regering en heeft als doel om alle ouders van kinderen met een handicap in Groot-Brittanie zo goed mogelijk te begeleiden door goede praktijkervaringen met elkaar te laten delen en verder uit te breiden (best practice to common practice).
Early Support is opgezet door ouders en mensen uit de praktijk vanuit de gedachte dat ouders een heel belangrijke stem hebben als het gaat om het nemen van beslissingen rondom hun kind en om het meedenken over het beleid voor deze groep kinderen.
Early Support is er voor ouders met een kind met een handicap tot vijf jaar en voor iedereen die regelmatig met deze groep te maken heeft. Early Support heeft zowel een programma als materialen ontwikkeld, geeft trainingen en brengt mensen bij elkaar om ervaringen uit te wisselen en om van elkaar te leren. De belangrijkste vragen zijn:
Rondom een gezin met een kind met een handicap wordt een team geformeerd dat bestaat uit:
Alle professionals in het team communiceren als team en treden als team op. Andrews vindt het van groot belang dat ouders een casemanager hebben die zorgt voor afstemming tussen alle hulpverleners zodat niet iedereen in zijn eigen toko met het kind (en het gezin) aan de slag gaat. Dat is niet makkelijk te realiseren. Daarom heeft Early Support een Family File ontwikkeld waarin zowel ouders als hulpverleners hun bevindingen kunnen noteren. Ouders kunnen er hun voorgeschiedenis in schrijven zodat ze die niet steeds opnieuw alles hoeven te vertellen, er is een adreslijst, een blad met vragen van ouders, een serviceplan voor de hulpverleners (soort zorg- en evaluatieplan) en daarnaast zijn er veel gratis folders om de omgeving meer informatie te geven over de handicap. Voor meer informatie: www.dcsf.gov.uk en dan doorklikken naar Every Child Matters, Health en Wellbeing, ADHC, Early Support. Hoe belangrijk “early support” en een goede “case manager”zijn, maakte Inge Doorn (Nederland) duidelijk in haar indrukwekkende verhaal. Inge is ouder van een doof kind en werkzaam bij de FODOK. Zij had veel steun ondervonden van haar gezinsbegeleidster die als een spin in het web zat en inderdaad informatie deelde op basis van gelijkwaardigheid. Groot was dan ook de teleurstelling toen bleek dat het ziekenhuis minder communicatief en respectvol was. Teleurstellend was (en is) het gegeven dat lang niet elke ouder haar goede ervaringen deelde. Blijkbaar werken er goede professionals bij onze gezinsbegeleidingsdiensten, maar zitten lange niet alle professionals en diensten op een lijn. Patrizia Gaspari (Italië) keek kritisch naar het functioneren van dove leerlingen in het regulier onderwijs. Zij vroeg zich af of er wel sprake is van echte integratie, of er wel echt gelijkwaardige mogelijkheden zijn voor dove leerlingen als het gaat om:
Gaspari constateerde in het reguliere onderwijs de volgende problemen:
De docenten in het regulier onderwijs moeten beter opgeleid worden om aan dove leerlingen les te geven. Daarbij is kennis van gebaren en kennis over spraakontwikkeling en de inzet van Cochleaire Implantaties van groot belang. Gaspari ziet dat de situatie voor dove kinderen – relatief - het beste is in het basisonderwijs. Daarna wordt het slechter. Het lijkt er zelfs op dat hoe verder de leerling komt hoe slechter de situatie wordt. Anneli Hegborn (Zweden) vertelde over hoe haar dienst – Iris Hadar - voor mensen met een beperking de overgang van school naar werk begeleidt. Iris Hadar verzorgt ondersteuning, waarbij uit gegaan wordt van de eigen kracht van een deelnemer. De werkwijze is gebaseerd op UN Standard Rules en Europese richtlijnen, plus een nationaal Zweeds actieplan. Er wordt uitgegaan van de volgende punten:
Sommige leerlingen vallen uit het schoolsysteem door een gebrek aan motivatie, lage cijfers, etc. Iris Hadar probeert deze ex-leerlingen te motiveren om cursussen te volgen en werk te vinden. De organisatie biedt een traject aan met cursussen en trainingen dat leidt tot een (praktische) baan. Om de trainingen en het werk goed op elkaar aan te laten sluiten, wordt als eerste gekeken wat de korte en lange termijn doelen zijn van de deelnemer. Op basis hiervan wordt in kaart gebracht welke kennis en vaardigheden een deelnemer nodig heeft om de doelen te bereiken, welke kennis en vaardigheden een deelnemer al heeft, welke leermethodes en strategieën geschikt zijn voor een deelnemer en welke (praktische) aanpassingen, kennis en vaardigheden er nodig zijn om het gestelde doel te bereiken,. De volgende stap is compensatie. Dat kan in de vorm van hulpmiddelen, coaching, strategieën en het toegankelijk maken van bijvoorbeeld informatie. Vervolgens is het tijd voor training. Het trainingsprogramma is op maat gemaakt en moet ervoor zorgen dat de deelnemer zo geschikt mogelijk is voor die ene baan..Ook zijn er trainingen voor het bedrijf en de medewerkers waar de deelnemer terecht zal komen De laatste stap is het matchen van de deelnemer met het bedrijf en het (blijven) coachen. De begeleiding gaat dus uit van individuele plannen, en een op maat gemaakt (trainings)programma. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is het digitaal portofolio. Voor meer informatie: http://www.iris.se/English_en.html. Zeer opvallend in dit verhaal waren de definities die voor doof en slechthorend: doof is iemand die gebaart en een slechthorende iemand die een hoorapparaat gebruikt (en soms gebarentaal)! 2. De landenpresentaties De landenpresentaties gaven veelal een overzicht van de situatie in het betreffende land. Toch waren er twee rode draden te ontdekken. De eerste was dat in een groot aantal landen de professionals zich meer en meer opstellen als partner of als coach van de ouders in plaats van de boven de ouders staande allesweter. De tweede rode draad was het gebrek aan professionals en kennis in landen waar het dovenonderwijs al lang zo goed als verdwenen is en de meeste dove kinderen naar het regulier onderwijs gaan. Soms sloten twee presentaties echt naadloos op elkaar aan. Zo verbaasde de Italiaanse spreker zich over het groeiende aantal specialisten waardoor het lijkt of alle activiteiten rondom een doof kind tot therapie zijn verworden. In de daarop volgende landenpresentatie volgde inderdaad een hele waslijst aan therapieën met als klap op de vuurpijl de paardentherapie. Een Nederlandse deelneemster vroeg zich zachtjes af of wij dan vervolgens maar van dierentuintherapie moesten spreken of van museumtherapie …
Groot-BrittanniëDe Britse Organisatie voor onderwijskrachten van dovenscholen deed verslag van de Family Friendly Hearing Services, een organisatie waarbinnen ervaringen uitgewisseld worden tussen ouders, kinderen en professionals. Family Friendly Hearing Services heeft een centrum waar twaalf onderwijzers werken, van wie er drie ook audiologische kennis hebben. Vanaf het moment van de diagnose tot hooguit vijf jaar daarna bezoeken professionals van het centrum regelmatig de gezinnen,. Alles wat met doofheid te maken heeft wordt met ouders, kinderen en andere hulpverleners (van andere organisaties en vrijwilligers) besproken en er worden regelmatig video-opnames gemaakt. Er is aandacht voor communicatie, spel, consequenties van doofheid en gedrag. Daarnaast wordt er samengewerkt met de Elizabeth Organisation voor ouders van jonge dove kinderen, de Ear Foundation, de Early Intervention-groepen en de oudergroepen.
ItaliëIn Italië werden in 1967 de scholen speciaal onderwijs aan doven en slechthorenden gesloten en ging iedereen naar een reguliere school. Inmiddels is er aandacht voor het oprichten van een familienetwerk rondom het dove kind. Men ziet dat het belangrijk is dat het dove kind een identiteit krijgt en dat daarvoor contacten met andere doven nodig zijn. Sinds drie jaar komen er langzamerhand beter gekwalificeerde deskundigen. Zo was er eerst op een school met een doof kind alleen een AB’er terwijl er nu een team is dat bestaat uit logopedist, gebarendocent, tolk, onderwijzers en klassenassistenten. Qua sociale zorg was er vroeger alleen een maatschappelijk werker, nu is er een multidisciplinair team. Het is daardoor belangrijker geworden dat er een casemanager is om alle hulpverlening op elkaar af te stemmen, want zonder zo’n persoon gaat ieder z’n eigen gang en is de kwaliteit erg wisselend. Als kritische noot vertelde Italië dat in hun land vrijwel alles ingezet kan worden als therapie en dat het vaak moeilijk is om een gemeenschappelijke grond te vinden op basis waarvan alle therapeuten met elkaar rondom het dove kind willen samenwerken. Men pleit hier voor het trainen van onderwijzers in de omgang met dove kinderen, regio’s van deskundigen vormen rondom een school en aansluiting bij ouderorganisaties en belangenorganisaties. ZwedenEr zijn nog steeds tweetalige scholen voor speciaal onderwijs voor dove en slechthorende kinderen. Vroeger werd het Zweeds daar alleen in de geschreven vorm (lezen en schrijven) onderwezen, maar nu speelt ook het gesproken Zweeds een belangrijke rol. Sommige leerlingen gaan naar een speciale dovenscholen, andere kinderen gaan naar scholen voor kinderen met een auditieve beperking en er zijn kinderen die naar het regulier onderwijs gaan. Duidelijk is dat de dove en slechthorende leerlingen op school andere behoeftes hebben. Het onderwijs kent andere vereisten en de kinderen krijgen andere vormen van ondersteuning. Helaas bereiken nog steeds velen niet de gestelde kennisdoelen. In Zweden is hiernaar onderzoek gedaan. De resultaten hiervan zijn te vinden op: www.spsm.se/startpage/publications.
NoorwegenIn Noorwegen zijn dertien onderzoekscentra voor alle vormen van beperkingen en handicaps. Hiervan zijn er vier speciaal op de hulp aan doven gericht zijn. Het meest speciaal is daarbij de aandacht voor gebarentaal. Er is hiervoor een nationaal programma ontwikkeld waar in principe elke Noorse staatsburger aan kan deelnemen. Men vindt het belangrijk dat doven en slechthorenden zich goed verstaanbaar kunnen maken, zich competent voelen, zelfvertrouwen hebben en zich op alle fronten goed ontwikkelen zodat zij een gelijkwaardige plek in de samenleving kunnen innemen. Daarom is er sinds 1996 een programma voor ouders/families/bekenden van een doof kind getiteld Look at my language. Het programma bestaat uit vier seminars per jaar voor ouders/familie/bekenden van jonge kinderen en twee tot drie seminars voor ouders/familie/bekenden van schoolgaande kinderen. In totaal zijn er veertig onderdelen. Het programma richt zich op de communicatievaardigheden van de ouders/familie/bekenden en besteedt aandacht aan tweetaligheid, twee modaliteiten (gebaren en spreken) en twee culturen. Het programma biedt de mogelijkheid om: § 800 uur gebarentraining te volgen waarbij daarnaast aanvullende trainingen en informatie wordt gegeven; § 200 uur informatie te krijgen rondom alles m.b.t. doofheid. De uren die ouders/familie of belangstellenden voor de lessen vrij moeten nemen, worden door de overheid vergoed en het salaris wordt doorbetaald. Op dit moment is er wel wat discussie over deze vergoeding, aangezien de belastingdruk in Noorwegen erg hoog is.
ZwitserlandIn Zwitserland gaan de kinderen pas naar school als zij vijf of zes jaar zijn. In Zwitserland zijn zeven scholen voor speciaal onderwijs waarvan zes mogelijkheden hebben voor ambulante begeleiding (AB) binnen het regulier onderwijs. AB wordt ook door andere organisaties geleverd. Sinds 2008 gaan in principe alle kinderen naar het reguliere onderwijs, elk kind heeft recht op integratie met AB. Dit heeft als gevolg dat de voorschoolse begeleiding meer in de belangstelling is komen te staan. Als begeleidingsdienst kom je in een gezin terecht met dromen, hoop en verwachtingen, en als professional veroorzaak je vaak een aantal veranderingen. Er zijn drie manieren waarop er met ouders en hun dove/sh kind gewerkt kan worden: § de professional als expert: de ouders komen naar de therapeut en kijken hoe deze werkt met het kind. De ouders drinken koffie en kijken toe hoe het kind leert. § de professional als docent/trainer: de ouders werken met het kind en de therapeut reageert en geeft huiswerkopdrachten. § de professional als coach: de ouders zijn de deskundigen en de therapeut is supervisor en casemanager (dit is vaak alleen mogelijk voor ouders uit de midden en hogere klasse). Welke aanpak de beste is, hangt af van de situatie. Er zijn nu ook speciale peutergroepen waar drie maal per week zes kinderen komen. Brusjes kunnen mee. Doel is vooral sociale integratie, interactie en communicatie. Elke drie maanden is er een thema-avond voor de ouders.
BelgiëEr is een verschuiving binnen de hulpverlening te zien: van een institutionele benadering naar een gezinsbenadering. Ook is er een verschuiving van het expert model naar een empowerment model, en van gelijksoortigheid naar diversiteit.
De hulpverlener is tegenwoordig: § meer luisteraar dan spreker; § meer partner dan onderwijzer; § meer coach dan iemand die taken overneemt; § meer iemand die initiatieven stimuleert dan iemand die alles al weet en alle problemen wil lossen; § meer een joint reflector dan een planner. Er is nu meer aandacht voor de gevoeligheid in de interactie, meer cultureel bewustzijn, meer aandacht voor de invloed van de context en voor het gezamenlijk belang en de dialoog. Als gevolg van deze nieuwe benadering is er een moedergroep ontstaan. Deze komt zes keer per jaar bij elkaar. Ieder heeft een doof/sh kind in de peuterleeftijd en een niet-Beligische achtergrond. Er is ruimte voor uitwisseling, gebarenlessen, contact met een sociaal werker en opvang. Belangrijk bleek om de moeders niet per brief, maar op een huisbezoek uit te nodigen deel te nemen aan de groep en om een tolk in te schakelen. Ook is er een spel ontwikkeld om meer begrip te kweken tussen dove kinderen en hun horende ouders en kan er gebruik gemaakt worden van video-feedback om te kijken hoe je als ouder communiceert je kind. 3. De discussieDe discussies waren ondanks de veeltaligheid (of juist dankzij dat gegeven) levendig. Er is daar een begin gemaakt met het verzamelen van competenties waar leerkrachten van dove kinderen aan moeten voldoen. Deze verzameling zal verder uitgewerkt worden binnen het Europees Leonardo-project. Ook heeft de FEAPDA naar aanleiding van de discussie een ‘congres statement’ geformuleerd, waarin duidelijk gemaakt wordt dat een cochleair implantaat (CI) doofheid niet geneest, dat ook dove kinderen met een CI recht hebben op professionele hulp ten aanzien van de ontwikkeling van taal (of dat nu de gesproken taal is, de gebarentaal of beide), en dat het dus ook voor CI-kinderen belangrijk is dat er voldoende goede geschoolde professionals zijn en blijven. De ‘congres statement’ is terug te vinden op de Siméa website onder https://www.simea.nl/vereniging/vak-kennis-en-projectgroepen.html.
Tot slotIn een van de pauzes werd een groot deel een zeer confronterende Italiaanse documentaire vertoond. De film volgde dove kinderen op een nonneninternaat. Meer informatie over de film is te vinden op http://www.sordobimbi.it/ en www.popcultdocs.com.
De WerkgroepSiméa heeft drie vertegenwoordigers in de FEAPDA: Karien Coppens (Radboud Universiteit), Connie Fortgens (taalkundige bij de Koninklijke Auris Groep) en Gerrie van Hamersvelt (Auris Dienstverlening). In verband een wisseling van de wacht is de werkgroep dringend op zoek naar nieuwe leden. Als je belangstelling hebt, neem dan contact op met Karien Coppens (k.coppens@pwo.ru.nl), Connie Fortgens (c.fortgens@auris.nl) of Gerrie van Hamersvelt (g.v.hamersvelt@auris.nl).
Deelname aan het congres is mede mogelijk gemaakt door steun van
de Europese Unie in het kader van
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Copyright 2003-2012 Siméa |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||